maandag 28 maart 2022

Winst en verlies. Pas op: scènes met huiselijk geweld

WAARSCHUWING: DIT STUK GAAT OVER HUISELIJK GEWELD. HET KAN DUS EEN TRIGGER ZIJN. BEN JE DAAR GEVOELIG VOOR, LEES HET DAN AJB NIET. PAS OP JEZELF.

 

 

Het punt was, het feit was, waar het altijd weer op neer kwam.

Doorzetten nu.

Aan het eind van de dag kwam altijd het moment waarop ze weer naar huis moest.

Het laatste stuk met de fiets. De onhandig grote, groengeverfde garagedeur. Fiets zorgvuldig in het rek zetten, stuur niet laten inhaken met de andere fietsen. Deur sluiten, vergrendelen.

Bijkeuken door, de hal in, jas ophangen.

Aan de stilte kon ze horen hoe de stemming was.

Moeder is verdrietig, vader is boos. Maar deze keer was haar vader razend. Geschreeuw, gescheld, verwijten. En toe kwam hij op haar af. 

Er stond een stoel, een zogenaamde televisiestoel, met donkerbruine rib bekleed, een Berend Boudewijn stoel. Ze zorgde er zorgvuldig voor dat die stoel tussen haar en haar vader bleef. Deed hij een stap naar rechts, dan deed zij een stap naar links. Heen en weer schoven ze. Ze zag het als van een afstand. Zo belachelijk leek het haar, slapstick.

Zo moe was ze opeens, al dat schreeuwen, het eeuwige falen, doodmoe. "Alles, als het maar stopt".

Ze stapte niet meer opzij toen hij een nieuwe poging deed. In plaats daarvan stapte ze naar voren. 

Hij greep haar bij haar hals, een jonge, slanke meisjeshals. Hij legde zijn vingers er omheen.

Ze weerde hem niet af, ze kromp niet ineen. Ze rechtte haar rug en keek hem strak aan. "Toe dan", dacht ze. "Doe het". Ze hoorde haar moeder angstig de voornaam van haar vader roepen. Even was het heel stil. Er gebeurde niets.

Toen liet hij haar los, zijn armen zakten naar beneden, zijn handen werkloos langs het lichaam. 

"Tja", zei hij zacht. En toen: "Ga maar naar boven".

Dus dat deed ze. Op haar kamer kleedde ze zich uit en kroop in bed. Haar hoofd suisde van alles wat er die dag gebeurd was, de niet te rijmen werkelijkheden van samen zijn en je geliefd te weten en de ellende die thuis heette te zijn.

De volgende ochtend gewoon opstaan, gewoon naar de trein, gewoon naar school. Er werd nergens over gepraat. Niets te zien hier, niets gebeurd, loopt u maar door.

Dat een vader zijn kind wil wurgen, al is het in drift, is erg. Dat je je kind zover weet te krijgen dat het zich daar vrijwillig aan overgeeft is erger. Geen discussie over mogelijk.

Maar er was ook iets anders, dat voelde ze al toen ze nog maar pas in bed lag. Ze was de confrontatie aangegaan. Ze dacht zich over te geven, hij was degene geweest die wegliep. Zij was de sterkste. Hij zou haar niet meer raken, ze kon hem aan.

Dit had ze er van geleerd. Later, veel later, als het leven moeilijk was en tijdens de vele sessies bij de psychiater, riep ze in zichzelf: "Kijk het beest in de ogen". En door...

Het was het laatste taboe. Zo sterk is de loyaliteit aan ouders, je hangt de vuile was niet buiten. De kras op haar ziel zat daar, woekerde, zweerde. 

Genoeg.  

Licht en lucht. Dit is wat er gebeurde. Ze gooit het naar buiten, op straat. Niet meer haar probleem, weg ermee. 

Nu nog leren ""ik" te zeggen in plaats van "zij".  Kleine stapjes.




zondag 20 maart 2022

Week 11

Oorlog. Afgrijselijk, en het is moeilijk om niet meegezogen te worden in een spiraal van slecht nieuws, gruwelijke beelden en nog meer slecht nieuws. Schuldig voelen omdat je geniet van rust en mooi weer en fijne dagen, terwijl elders enzovoort.

Niemand is er mee geholpen als je jezelf verdrinkt in afschuw en medelijden. Hup, vooruit, doe iets! Geef geld, geef aandacht en zorg ook een beetje voor jezelf.

Week 11, en we hebben, naast het werk en andere beslommeringen, best veel gedaan.

We gingen naar Assen, om nu eindelijk de bloeiende krokussen op Overcingel van dichtbij te bekijken. Dat stond al zo'n 40 jaar op het verlanglijstje.



 

Je koopt een toegangskaartje aan de overkant, voor de uitzinnige prijs van 1 euro voor 1 volwassene met partner.   Landgoed Overcingel Naast de vele bloemen waren er zoveel vogeltjes, uitbundig zingend, tegen het verkeerslawaai in.

Het was prachtig weer, fijn om te fietsen en wandelen.

Winschoten


Sellingen 

Het hoogtepunt was Franeker. Deze keer gingen we stinzenbloemen kijken in de Martenatuin bij het Museum Martena. De tuin is vrij toegankelijk.

https://www.martenatuin.nl/  en Museum



Franeker is verder ook zo mooi, we zien elke keer wat nieuws.


 

En natuurlijk De Oortwolk, dat is een verplicht nummer.    Oortwolk

 

 

Verder las ik deze week dit boek uit:


Het kostte even moeite om er in te komen, maar uiteindelijk was het wel vermakelijk. 

En tot slot heb ik vandaag gezaaid: spinazie, sla, radijs. Goudsbloemen ook. Ik heb 't al eens eerder gezegd, bij een andere gelegenheid, zie het als een teken van verzet. Plant een boom, zaai bloemen. Geef leven.


















donderdag 10 maart 2022

Hoe het begon.

Laat ik het over liefde hebben. Zoveel ellende en duisternis, er moet iets tegenover staan. Eng is het wel. In liefde zijn we het meest kwetsbaar. Wees dapper.

Dit is een verhaal over de aanvang van een kleine geschiedenis. Elk mensenleven is tenslotte niet meer dan een microscopisch klein stipje, een duizendste van een tel in het grote geheel van het universum.

Er is een inleiding, en dan is er een begin en dan gaat het verder. 

De inleiding was de eerste tijd op de middelbare school in de stad, een treinreis van acht minuten van mijn dorp verwijderd. De school was een scholengemeenschap, een relatief nieuw verschijnsel. Samen met honderden andere leerlingen bewoog ik me dagelijks door de gangen en het trappenhuis. Velen spraken hun zorg uit over de anonimiteit van deze "leerfabrieken", maar ik vond het heerlijk. Eindelijk ontsnapt aan de drukkende sociale controle in mijn dorp. 

Thuis ging het niet goed, mijn leerprestaties holden achteruit, ik was voornamelijk bezig met overleven. De pauzes waren rustpunten. Ik kon urenlang kijken naar al de verschillende leerlingen, de groepjes die ze vormden, de kleine territoria die ze bezetten: bij de koffiebalie, rond het apparaat met chocolademelk en koffie, naast de deur naar de administratie...

Sommige gezichten in de aula waren herkenningspunten in een bewegend landschap, net zoals de treinreis was verdeeld in onderdelen: het bos met de Rhododendrons, de heuvel waar in het voorjaar zoveel narcissen bloeiden, het tolhuis.


 

Op een dag viel mijn oog op een jongen die met vrienden zat te kaarten. Donker haar tot op de schouders, geprononceerde mond, lange hals, uitstekende adamsappel. Hij had iets van een bekende zanger, vond ik. Maar het opvallendste vond ik zijn ogen. Ik was naar een expositie over Pompeii geweest, en zijn gezicht had één van de vele fresco's kunnen zijn. Ik voegde hem in gedachten toe aan mijn verzameling. Vreemd genoeg zag ik hem nooit in de gangen lopen. Zijn schooltas was opvallend klein en leeg. Hij bleef zelden over. Vaak vroeg ik me af, wat er nou zo bijzonder aan hem was. Wat was het, dat je aantrok in iemand? 

De aula was een grote, rechthoekige ruimte, die parallel liep aan de hal. Aan een korte zijde was het toneel dat je kon bereiken middels een trap met vier houten treden. De grote velours gordijnen waren meestal gesloten. Het groepje, waartoe ik behoorde, bestond uit zo'n acht meiden. Elke pauze namen we plaats op de treden van dat trapje en wat stoelen.

Zo gebeurde het op een dag dat ik de gordijnen zag bewegen en er iemand tevoorschijn kwam. Ik zat op een stoel en had prima zicht op het tafereel: mijn inwoner van Pompeii liep niets vermoedend op de trap af. Ik zag hem stoppen, fronsen. "Ga daar eens weg", zei hij. Zelfs de meest zachtzinnige onder ons lachte hem hartelijk uit.

"Jullie mogen daar niet eens zitten" probeerde hij toen. Ook dat had totaal geen effect. Hij keek nog eens, haalde zijn schouders op, liep een paar passen naar links. Hij zette zijn hand op de rand van het toneel en sprong er af. Vlakbij stond hij, en ik zag dat hij glimlachte. Niet boos, niet geërgerd, eerder licht geamuseerd en verder onverstoorbaar.

Zo begon het. 

Sindsdien keek ik elke dag uit of ik hem zag. Nooit keek hij terug, of naar ons groepje. We bestonden niet. Ik bestond niet. 

Het werd zomer, de vakantie brak aan. Ik ging met een vriendin kamperen, zorgvuldig gepland, zodat ik niet thuis zou zijn als mijn rapport aankwam, met de mededeling dat ik bleef zitten. 

De eerste dagen na de vakantie was de aula een soort van hel. Het lawaai van al die stemmen was oorverdovend. Na een dag of drie was ik weer gewend, en leek het alsof de zomervakantie weken geleden was. Ik keek uit naar mijn jongen uit Pompeii. Ik zag hem niet. Misschien was hij nog niet begonnen? Misschien was hij ziek? Na nog een paar dagen begon ik systematisch de aula te scannen. Ik liep zoekend door de gangen. Ik keek in de garderobe, de theetent, liep naar de MAVO afdeling en keek daar. Ik zocht. Ik vroeg het aan anderen, maar niemand wist wie ik bedoelde, niemand kende hem. Hij was weg. Uiteindelijk bedacht ik, dat hij waarschijnlijk was verhuisd. Ik wist zijn naam niet, ik wist niet waar hij was. Ik was hem kwijt. 

Nieuwe leraren voor dezelfde vakken, en ik kreeg door wat er van me werd verwacht. School werd een toevluchtsoord. Thuis ging het slecht, maar op school was er sport, en waren er leraren die aardige dingen zeiden over mijn werk.

Vanaf de vijfde was ik af van de vakken die ik niet wilde en waar ik geen aanleg voor had, en ik had plezier in de vakken die ik had gekozen. Het eindexamen kwam in zicht. Ik was vol vertrouwen, dit was iets wat ik kon. Thuis mocht ik eindelijk zoveel lezen als ik wou, ik zei dat het "voor de lijst" was, voor school. En ik had inmiddels een vriendje, die studeerde en op kamers zat, maar de meeste weekenden overkwam. 

Volleybal en softbal waren dé sporten op mijn school. Er was een plaatselijke volleybalvereniging waar veel klasgenoten en leerkrachten lid van waren. Mijn vriendje was dat ook, tot hij verhuisde. Regelmatig had hij het over een clubgenoot, waar hij op gesteld was, maar die op de andere scholengemeenschap zat. Op een middag zaten we op de tribune naar een wedstrijd te kijken, toen vriendje opeens verrast uitriep: daar is hij! Ik keek op en herkende hem direct. Hij mij niet, natuurlijk niet. Ik keek toe, hoe ze praatten en lachten en toen ging hij weer weg. 

In november was een klasgenoot van mij jarig, er was een feestje. Ik mocht er heen en daar was hij. Ik zat achter in de woonkamer, hij hing rond in het voorste deel. Ik keek. Ik dacht. Ik durfde niet, maar vroeg me af, hoe ik me zou voelen, als ik hem weer uit het oog zou verliezen. "Nu of nooit" zei ik tegen mezelf, liep naar hem toe en begon een gesprek. Alles wou ik weten, zijn naam en waar hij woonde en wat hij deed. Het ging zo moeizaam, ik weet niet wat hij dacht, maar ik zette door. Een half uur later stonden we samen in de keuken pannenkoeken te bakken voor de rest van het gezelschap. Ik was zo blij.

Een kennis woonde op kamers in een oud huis bij de melkfabriek. Het werd een gewoonte om daar op zaterdagavond bij elkaar te komen. Kletsen, TV kijken, chips en drank. Chillen avant la lettre. Op een avond dook hij op, we praatten. De week daarna weer. We bleken interesses te delen: lezen, (kunst)geschiedenis, en meer. We praatten en praatten, de hele winter lang.

Op een dag kwam ik voor de schoolpauze naar beneden, en daar zat hij, als vanouds, te kaarten. Nu kende ik wel de jongens met wie hij praatte. Nu zag hij me wel. 

Het werd voorjaar, een prachtig voorjaar, met zachte dagen vol zon. In de pauzes stroomden de leerlingen naar buiten, om plaats te nemen op de grasvelden langs de vijvers aan de overkant van de straat. 

Ik kwam naar beneden voor de pauze en hij zat op de koffiebalie te kletsen met de concierge. Ik liep naar hem toe, hij sprong op de grond. We liepen naar buiten en zochten een plekje op het gras. We praatten, en zwegen. 

 


 

Hij wachtte me op, elke dag. We zaten in het gras. Dan pelde hij een sinaasappel, en gaf me de stukjes, één voor één. Soms vroeg ik, of hij niet naar school moest, of hij zelf geen sinaasappel wou. Dan haalde hij zijn schouders op.

Als het regende zaten we in de aula, ik praatte met mijn vriendinnen en vrienden, las een boek, hij kaartte.

Mijn vrienden werden ongerust. Ze vroegen of mijn vriendje dit alles wel wist en wat hij er van vond. Ik zei dat hij het wist en vroeg hen wat hun bezwaar was. We deden niets. We praatten alleen maar. Ze wisten niet wat te zeggen.

Het werd mei. Na de pauze hadden we gym. Ik rende het sportveld op. De jongens waren al aan het voetballen op het eerste veld. Ik zag dat hij meedeed, rennend, lopend, spelend. De leraar vond het best, die kende hem, een clubgenoot.

Wat deden wij (op het tweede veld)? Softbal, denk ik. Iedereen keek me aan, alsof ze een verklaring van me verwachtten. De lerares maakte een opmerking tegen me. Wat moest ik zeggen? Ik had hem niet gevraagd daar te zijn. Nu denk ik, dat ik ongelooflijk liep te stralen. Dat iedereen zag, wat ik zelf eigenlijk wel wist.

De lucht was zo ontzettend blauw, het gras was nooit groener als toen. Ik hoorde de jongens roepen en lachen, het geluid van de bal die vol geraakt werd. Ik hoefde niet te kijken, ik wist dat hij er was en dat was genoeg. Alles was goed. 

In juni hebben we voor het eerst gezoend. Ik weet de datum, ik weet de plaats. Eindeloze kussen. Dat onbegrijpelijke werkwoord houden van. Het ontsnapte, het kon niet meer onuitgesproken worden.

Hij haalde me weg uit dat huis. Hij heeft me gered. 

Het leven was niet altijd aardig. Er was geldgebrek, narigheid en ziekte. Maar nu we ouder worden lijkt dat allemaal ruis. Wat blijft, is waar het mee begon. Er zal nooit een einde aan komen.





zondag 16 januari 2022

Een boeken-adventkalender

Twee jaar geleden las ik voor het eerst de tweets van ene Claire (@thechesilbeach) die een boeken-adventkalender van haar man had gekregen. Het thema was Backlisted.fm, de podcast die volgens eigen zeggen "leven geeft aan oude boeken".

 https://www.backlisted.fm/




De kerst daarop, die van 2020, was het weer raak: ze kreeg opnieuw stapels boeken. Ik had mijn goede voornemen voor het nieuwe jaar te pakken. Ik zou zelf een adventkalender samenstellen, en daartoe in de komende maanden boeken kopen op www.boekwinkeltjes.nl, in antiquariaten en kringloopwinkels. 

Toen kwam COVID. Ik ben nogal kwetsbaar. Hoe kun je boeken kopen voor een jaar verder in de tijd, als je geen idee hebt of je er dan nog wel bent? Moeilijk, moeilijk. Het ging maar mondjesmaat.

In de zomer ging het beter, we kwamen af en toe in een winkel, zelfs in een boekenwinkel (heerlijk) en in https://www.bijtijenontij.nl/

We gingen met keurige stapeltjes weer naar buiten.

 


 

Ook zoiets vreemds, in november denk ik altijd dat er nog zeeën van tijd zijn tot de kerstperiode aanbreekt, en dan opeens is het bijna Advent. Ik kocht me gek, hier een boek voor drie euro, daar één voor 4,50. 

Uiteindelijk is het gelukt, min of meer. Eerst had ik er te weinig, en toen één teveel. Ook was er de vraag wanneer je begint met uitpakken (op de eerste Advent Zondag of 1 december?) en wanneer je ophoudt (op de vierde Advent Zondag of op kerstavond?). Nou ja, daarin maakt iedereen maar zijn eigen keus.

Ik had elk boek dat arriveerde meteen ingepakt. Na al die tijd wist ik niet zo goed meer wat waarin zat. Mooi zo. 

Ik vroeg mijn man de pakjes te nummeren en deed ze in de kerstdoos. 

 


Toen begon het.

 

Elke ochtend bij het ontbijt een pakje; de spanning van "wat zit erin?" De verbazing over boeken die ik me echt niet meer herinnerde.

 


Toen het eindelijk kerst werd, was ik bekaf, volledig verzadigd met al die nieuwe aanwinsten. 

Het was zo leuk, dit jaar doe ik het weer.


zondag 5 december 2021

Woord en Beeld: Begraven op Ameland


 

p. 17:

"... Ook hadden de opppasters de koffie of thee klaar waarbij witte kandijklontjes, blatjes (een soort koek) en krakelingen werden geserveerd." Blatjes zijn de zogenaamde platte koeken.





Woord: Leon Blok. Begraven op Ameland. De geschiedenis van het leven op Ameland verborgen in duizenden namen op grafstenen. 

Beeld: Amelander platte koeken van bakker De Jong, Nes, Ameland en grote krakelingen, gekocht bij Spar Manje, Ballum, Ameland.


 

 

vrijdag 4 juni 2021

Portretten: Edward, prince off Wales

Dit is Edward, Prince of Wales, 1537-1553. Het portret is geschilderd door Hans Holbein de J. In 1537 of '38 staat erbij. In aanmerking nemende dat Edward een oktoberkind was, ga ik maar uit van 1538. Hier zit een stevige peuter in wording, geen 2 maanden kindje (kijken die experts wel eens naar echte mensen?).

 

Het stukje op Wikipedia leest deels als een personage-lijst van de trilogie van Wolf Hall. Geen wonder, want deze Edward was de zo lang begeerde, eerste zoon van Henry VIII die de geboorte doorstond en in leven bleef.

Als we over deze mensen lezen, lijkt het vaak allemaal zo veraf. Haast fictieve karakters zijn het, in verhalen die via overlevering tot ons gekomen zijn. Haast zou je vergeten dat dit kindje echt bestaan heeft. Krampjes heeft gehad, snotneuzen, geschaafde knie, oorpijn. Maar gelukkig zijn er brieven en ooggetuigen die melden hoe blij zijn vader met hem was, die hem in zijn armen wiegde. Hoe hij met zijn halfzusjes speelde. Dat hij veel speelgoed kreeg. Zijn lady-mistress (ofwel gouvernante) schreef aan Thomas Cromwell in een verslag over een blij dansend jongetje, dat genoot van de muziek die door de minstrelen van zijn vader gespeeld werd. 

Suikerzoet? Zet het maar af tegen de overige gebeurtenissen van die tijd, intriges, vervolgingen, onthoofdingen. Na de dood van zijn vader werd Edward tot koning gekroond. Negen was hij toen en vanwege zijn leeftijd kwam het land onder een vorm van Protectoraat. Machtsverschuivingen aan het koninklijke hof, sociale onrust, economische problemen. Op zijn vijftiende werd hij ziek en stierf, mogelijk aan tuberculose.

Kijk nu nog eens naar het schilderij, met de wetenschap van intriges, ziekte en dood. Een klein jongetje met een prachtig pakje aan. Een warm mutsje dat het koppie moet beschermen, daar bovenop een hoofddeksel met een witte veer, kenmerk van de Prince of Wales, zo heb ik gelezen. Een gouden rammelaar in de mollige handjes. Dikke wangetjes en een prominent kinnetje. Kleine oogjes, die wat dicht bij elkaar staan, een klein neusje en een smal mondje. Wat dunne haartjes piepen onder het mutsje uit, rossig blond? Hij lijkt, ook op een later portret, onmiskenbaar op zijn vader. Wellicht heeft de schilder dat zo bedoelt, al was Holbein bekend om zijn "warts and all". Dat is de kracht van Holbein: je wordt niet afgeleid door goud en brokaat. Wat je ziet is wat je krijgt: een gewone peuter. Het zou je buurjongetje kunnen zijn.

 

Het schilderij hangt nu in de National Gallery of Art te Washington.



vrijdag 21 mei 2021

Portretten: de zitter

 

Ik ben gefascineerd door portretten. Portretten gaan altijd over meerdere mensen. Je begint bij de afgebeelde persoon (de zitter). Dan de schilder, die de regie voert over het portret. Vervolgens de opdrachtgever. Dat kan de zitter zelf zijn, maar ook een derde: man, vrouw, bestuur van een instelling, ouders. En tot slot ben je zelf betrokken: de kijker.

 De mode en de mores van de tijd is een factor van belang. Symbolisch, smetteloos of warts and all? Een bijna fotografische weergave of meer een impressie van een karakter?

Als de zitter volwassen is, heeft hij/zij bepaalde ideeën over hoe hij afgebeeld wil worden. Liever de voordeligste kant van het gezicht naar de kijker gericht, wat te dragen, welke houding. Wie betaalt, bepaalt. Maar een schilder hoeft daar geen boodschap aan te hebben. 

Met een kind is het anders. Dat houdt zich niet bezig met hoe het overkomt op de ander. Het zal wriemelen en wiebelen en nieuwsgierig zijn naar wat die onbekende daar doet, achter die rare constructie van houten poten en een bord met papier, of linnen doek. Verlegen, belangstellend of volkomen ongeïnteresseerd kijkt het ons aan, soms door eeuwen tijd, recht in de ogen: wie ben jij? wat doe je? En ik kijk terug. Wat is er van je gekomen, kind? Waren ze een beetje aardig voor je? Mocht je die tol, die bal houden? Was je blij toen je die stijve kleren weer uit mocht en je dagelijkse jurk weer aan kon trekken? 

Neem nu dit meisje. Aangekleed als een kleine volwassene getuigt haar kleding van rijkdom. Maar ik denk dat het ook zegt: dit kind hoort bij ons. Zoals ze gekleed is, de sieraden die ze draagt (de armband was van grootmoeder, de speld van de andere oma, het kant van de familie-doorpjurk), geeft wellicht allemaal aan: wij, ons gezin, onze familie. ("Ach, sprekend haar moeder!" Ik hoor het ze zeggen). Dit zijn ook stamkleuren.

 Ik vind dat ze er een beetje moe uitziet. Afwachtend, dappere glimlach, mooier dan de Mona Lisa. Ik wou dat ik wist wat je dacht, meissie. Ik wou dat ik je naam wist, dan zou ik hem hardop zeggen.


ansichtkaart uit het Rijksmuseum, Amsterdam

Johannes Cornelisz. Verspronck 1597-1662

Portret van meisje in blauw